Elke structuur verwijst naar een ontwikkelingsmoment in de jeugd waarin het kind leerde omgaan met pijn, gebrek aan steun of overweldiging. Sommige structuren zijn gebaseerd op te weinig nabijheid (vluchten, terugtrekken), andere op wankele nabijheid (klampen, helpen), en weer andere op onbetrouwbare of overweldigende omgeving (controleren, domineren, verdoven). Deze strategieën werden ooit logisch gekozen, omdat ze veiligheid gaven. Later in het leven kunnen ze echter star worden: automatische vormen waarin iemand schiet wanneer het spannend wordt.