Collectie ‘Wandelen’

wan•de•len ; onovergankelijk werkwoord • wandelde, heeft en is gewandeld ; 1201–1250 ‘heen en weer gaan, rond­lo­pen, gaan, zich wen­den, ver­an­de­ren, verruilen’, fre­quen­ta­tief­vorm naast wenden ;

1 ver­ou­derd  lo­pen in het al­ge­meen; 2 ver­ou­derd  zich be­we­gen = verkeren; 3 ar­chaïsch; fi­guur­lijk zich ge­dra­gen = handelen; vergelijk wandel; 4 ge­mak­ke­lijk en zon­der zich in te span­nen lo­pen; 5 in een rus­tig tem­po lo­pen om zich te ont­span­nen, van de bui­ten­lucht, de om­ge­ving te ge­nie­ten; uitdrukking; BE   iem. wan­de­len stu­ren; leen­ver­ta­ling van Frans envoyer promener quelqu’un = afschepen; 6 SR een uit­stap­je ma­ken; op reis gaan; 7 van eilanden zich a.h.w. ver­plaat­sen door af­kal­ving aan de ene en aan­groei aan de an­de­re kant;

Berichten

3. Wandelen en het onderbewuste
16. Voor wie jezelf leren kennen en meer koers
17. Jezelf uitdagen buiten het dagelijkse
13. De natuur en het effect op je staat van zijn
19. xxxx