Collectie ‘Wandelen’

wan•de•len ; onovergankelijk werkwoord • wandelde, heeft en is gewandeld ; 1201–1250 ‘heen en weer gaan, rond­lo­pen, gaan, zich wen­den, ver­an­de­ren, verruilen’, fre­quen­ta­tief­vorm naast wenden ;

1 ver­ou­derd  lo­pen in het al­ge­meen; 2 ver­ou­derd  zich be­we­gen = verkeren; 3 ar­chaïsch; fi­guur­lijk zich ge­dra­gen = handelen; vergelijk wandel; 4 ge­mak­ke­lijk en zon­der zich in te span­nen lo­pen; 5 in een rus­tig tem­po lo­pen om zich te ont­span­nen, van de bui­ten­lucht, de om­ge­ving te ge­nie­ten; uitdrukking; BE   iem. wan­de­len stu­ren; leen­ver­ta­ling van Frans envoyer promener quelqu’un = afschepen; 6 SR een uit­stap­je ma­ken; op reis gaan; 7 van eilanden zich a.h.w. ver­plaat­sen door af­kal­ving aan de ene en aan­groei aan de an­de­re kant;

Berichten

20. xxx
15. Groepsgevoel leren met en van elkaar
4. Authentiek oefenen en je masker afzetten
9. Transformatie vinden in een nieuwe wereld
14. Onderdeel van de natuur 1
8. Opkomen uit het onderbewuste
7. Wat gebeurt met je in contact met anderen
6. Inzichten door diep naar binnen te gaan
5. Het effect van ervaringsgerichte coaching