Collectie ‘Plezier’

ple·zier; zelfstandig naamwoord • het • pleziertje; 1574 < Frans plai­sir; 1 ge­voel van wel­be­ha­gen of wel­ge­val­len, ver­oor­zaakt door iets dat je aan­ge­naam vindt of waar­in je ge­noe­gen schept; 2 ver­maak, ge­not, ge­noe­gen; 3 sek­su­eel ge­not; 4 concreet een be­paald ge­noe­gen, ge­not; 5 plezieren dienst.

Berichten

18. Volg je hart en wees niet bang
11. Survived another day spannende reizen
2. De magie van begeleiding in de bergen 1
20. xxx
15. Groepsgevoel leren met en van elkaar
4. Authentiek oefenen en je masker afzetten
9. Transformatie vinden in een nieuwe wereld
14. Onderdeel van de natuur 1
8. Opkomen uit het onderbewuste