Collectie ‘Schuld’

schuld (geen afbreking) zelfstandig naamwoord • de  • schulden ; 1 ver­plich­ting van een par­tij om dat­ge­ne te vol­doen waar­toe zij te­gen­over een an­de­re par­tij ge­hou­den is, m.n. geld­som die be­taald moet wor­den we­gens ont­van­gen dienst of le­ve­ring; 2 ge­heel van de door een pu­bliek li­chaam, m.n. door de staat, aan­ge­ga­ne le­nin­gen; 3 ze­de­lij­ke ver­plich­ting; 4 de om­stan­dig­heid dat iem. een over­tre­ding of ver­keer­de daad be­gaan heeft, be­schouwd als iets dat ge­boet moet wor­den ≈ culpa; 5 om­stan­dig­heid dat iem. iets ver­keerds ge­daan of iets na­ge­la­ten heeft of in iets te­kort is ge­scho­ten, be­schouwd als ver­ant­woor­de­lijk­heid; 6 bij uitbreiding ver­hin­de­ren­de oor­zaak

Berichten