Collectie ‘Reizen in jezelf’

rei·zen onovergankelijk werkwoord • reisde, heeft en is gereisd; 1 een reis on­der­ne­men, zich naar een ver­wij­der­de plaats op weg be­ge­ven of be­vin­den; 2 fi­guur­lijk dood­gaan; 3 ver­ou­der­de li­te­rai­re taal zich ver­plaat­sen = trek­ken, gaan; 4 rei­zen on­der­ne­men, m.n. vreem­de lan­den be­zoe­ken om ken­nis op te doen of voor ge­noe­gen; 5 zich voor han­del of be­roep naar een an­de­re plaats be­ge­ven of van plaats tot plaats trek­ken, m.n. in op­dracht van een fir­ma klan­ten in ver­schil­len­de plaat­sen be­zoe­ken om za­ken te doen, han­dels­rei­zi­ger zijn; 6 NL; Bar­goens op iem. rei­zen op hem loe­ren, hem zoe­ken, het hem las­tig ma­ken;7 van za­ken ver­voerd wor­den; 8 vrij­met­se­la­rij op plech­ti­ge wij­ze door de bouw­hut rond­ge­leid wor­den.

zelf (geen afbreking) aanwijzend voornaamwoord ; 901–1000 ~ En­gels self, Duits selbst; 1 ach­ter per­soons­na­men en ach­ter voor­naam­woor­den in ei­gen per­soon = per­soon­lijkin per­so­na; 2 ach­ter zaak­na­men om de aan­dacht m.n. op die zaak te ves­ti­gen, in on­der­scheid van het bij­ko­men­de of iets an­ders; 3 in pas­sief­zin­nen met ver­wij­zing naar een geïm­pli­ceerd lo­gisch sub­ject door ie­der­een.

Berichten