Collectie ‘Schaamte’

schaam·te zelfstandig naamwoord • de v  • g.mv ; 1285, af­ge­leid van scha­men ; 1 g.mv. het ge­voel van on­be­ha­gen dat iem. ver­vult bij het ge­zien, be­kend of open­baar wor­den van din­gen aan hem, han­de­lin­gen van hem of toe­stan­den om hem die in strijd zijn met de eer­baar­heid, het fat­soen of de ze­de­lijk­heid, of die hem ver­ach­te­lijk doen schij­nen bij an­de­ren; 2 g.mv. vat­baar­heid voor schaam­te; 3 verouderd de schaamdelen

Berichten