Collectie ‘Hechten’

hech·ten;  over­gan­ke­lijk werk­woord • hecht­te, heeft ge­hecht ; 1220–1240 ~ La­tijn capere [vast­pak­ken]; 1 de ran­den aan el­kaar naai­en; 2 vast­ma­ken, be­ves­ti­gen, m.n. door er iets door te ste­ken, ook met haak­jes of een plak­mid­del; 3 figuurlijk ver­bin­den, be­ves­ti­gen, vast­ma­ken; 4 zich hech­ten aan … a zicht vastzetten aan… b figuurlijk; van personen zich door ban­den van lief­de, vriend­schap of voor­keur ver­bin­den aan, ver­kleefd wor­den aan; 5  niet algemeen in hech­te­nis ne­men

Berichten