Collectie ‘Gezondheid’

ge·zond·heid zelfstandig voornaamwoord • de v • gezondheden; 1 het ge­zond zijn, li­cha­me­lijk wel­zijn; 2 me­to­ny­misch; ver­ou­derd heil­dronk, toost; 3 i.v.m. ver­stand en ziel on­be­dor­ven­heid, na­tuur­lijk­heid, fris­heid; 4 de ei­gen­schap be­vor­der­lijk te zijn voor het li­cha­me­lijk wel­zijn; 5 NL; Bar­goens de kerk.

Berichten