Collectie ‘Gezondheid’

ge·zond·heid zelfstandig voornaamwoord • de v • gezondheden; 1 het ge­zond zijn, li­cha­me­lijk wel­zijn; 2 me­to­ny­misch; ver­ou­derd heil­dronk, toost; 3 i.v.m. ver­stand en ziel on­be­dor­ven­heid, na­tuur­lijk­heid, fris­heid; 4 de ei­gen­schap be­vor­der­lijk te zijn voor het li­cha­me­lijk wel­zijn; 5 NL; Bar­goens de kerk.

Berichten

16. Voor wie jezelf leren kennen en meer koers
17. Jezelf uitdagen buiten het dagelijkse
13. De natuur en het effect op je staat van zijn
19. xxxx