Collectie ‘Film’

film (geen afbreking); zelfstandig naamwoord • de m • films; film­pje; 1901–1925 ‘strook met film- of fotobeelden’, En­gels; 1 dun vlies­je (laag­je, ook wel gaas­je) dat iets be­dekt; 2 tex­tiel­in­dus­trie fijn weef­sel van zij­de of ko­per­gaas; 3 schil­der­kunst vast ge­wor­den verf of ver­nis, niet aan een on­der­grond ge­hecht; 4 stof­naam lak die een film vormt;  5 lan­ge, buig­za­me strook van cel­lu­lo­se­ace­taat of cel­lu­loid, met een licht­ge­voe­lig laag­je be­dekt, ge­bruikt voor fo­to­gra­fi­sche of ci­ne­ma­to­gra­fi­sche op­na­men; 6 ge­heel van de op een film vast­ge­leg­de op­na­men die als be­we­gen­de beel­den ge­pro­jec­teerd kun­nen wor­den; 7 me­to­ny­misch ge­heel van de in­stel­lin­gen en per­so­nen die bij het ver­vaar­di­gen van films be­trok­ken zijn; 8 het spe­ci­fie­ke van wat films be­ogen te zijn; 9 film­voor­stel­ling; 10 figuurlijk reeks ge­beur­te­nis­sen die aan een film doen den­ken; 11 schertsend clo­set­rol

Berichten