Collectie ‘Avontuur’

avon·tuur (niet: a-vontuur) zelfstandig naamwoord • het  • avonturen; avontuurtje; 1236, < Frans aventure < La­tijn adventura [de din­gen die te beurt zul­len val­len]; 1 iets on­ge­woons, on­ver­wachts, zon­der­lings dat iem. over­komt lotgeval; 2  ris­kan­te on­der­ne­ming; 3 informeel fortuin, geluk; 4 verouderd kans; 5 de for­tuin, als per­so­ni­fi­ca­tie 6 bij uitbreiding ver­hin­de­ren­de oor­zaak; 6 ze­ker kans­spel

Berichten

6. Inzichten door diep naar binnen te gaan
5. Het effect van ervaringsgerichte coaching
3. Wandelen en het onderbewuste
16. Voor wie jezelf leren kennen en meer koers
17. Jezelf uitdagen buiten het dagelijkse
13. De natuur en het effect op je staat van zijn
19. xxxx