Collectie ‘Afscheid’

af·scheid zelfstandig naamwoord • het • g.mv. v; 1450 ‘het vaar­wel­zeg­gen, besluit’, van af +  schei­den; 1 het schei­den als han­de­ling van per­so­nen van wie de een de an­der gaat ver­la­ten, voor­al met het oog op de om­stan­dig­he­den waar­on­der de schei­ding plaats­heeft, de ge­voe­lens die er­bij op­ge­wekt wor­den en de be­tui­gin­gen die men el­kaar geeft; 2 figuurlijk het op­ge­ven, niet meer aan­vaar­den of steu­nen; 3 me­to­ny­misch de woor­den die iem. bij het ver­trek zegt = afscheidsgroet, afscheidspreek; 4 fi­guur­lijk (fees­te­lij­ke) afscheidsbijeenkomst; 5 niet al­ge­meen ver­lof of op­dracht om te ver­trek­ken = ontslag; 6 uitvaart.

Berichten

8. Opkomen uit het onderbewuste
7. Wat gebeurt met je in contact met anderen
6. Inzichten door diep naar binnen te gaan
5. Het effect van ervaringsgerichte coaching
3. Wandelen en het onderbewuste
16. Voor wie jezelf leren kennen en meer koers
17. Jezelf uitdagen buiten het dagelijkse
13. De natuur en het effect op je staat van zijn
19. xxxx